Vernieuwde sanctiestrategie
'Meedenken als het kan, handhaven als het moet'
Diepgaand toezicht op milieukwaliteit leent zich niet voor eendimensionaal handhaven. De overheid moet verder durven kijken. Dus niet: hangt de brandblusser op de juiste hoogte? Maar wel: beschikt dit bedrijf over een goed milieubeheersysteem en verantwoord gedrag?
In 2007 startte de pilot ‘Proeftuin OM’ in de regio Rijnmond. In deze samenwerking onderzochten OM, DCMR, Zeehavenpolitie en provincie Zuid-Holland de mogelijkheden om bij milieu-incidenten in bedrijven niet direct een sanctionerende aanpak te kiezen met proces verbaal en dwangsom. Het proces naar verbeteringen stond voorop. Zo ontstond vertrouwen in elkaars aanpak en instrumenten.
Open houding
Als toezichthouders samen met een verantwoord opererend bedrijf de basisoorzaak van het milieu-incident kunnen vinden, komen veiligheid en milieu op een hoger niveau. Daar gaat het in feite om. Maar dat vraagt wel een open houding, van alle partijen. Met de ervaringen van de ‘proeftuin’ ontwikkelen de gezamenlijke toezichthouders een volgende stap: de ontwikkeling van een nieuwe sanctiestrategie.

Volwassen toezicht
De ‘Proeftuin OM’ was een eerste illustratie van de nieuwe aanpak die paste bij het inmiddels ‘volwassen’ bestuur en zijn toezichthouders, OM en de politie. De vaststelling van kernbepalingen vormde de leidraad voor wat bij incidenten in de industrie naast bestuursrecht ook zeker binnen het strafrecht hoort. Zoals wanneer er sprake is van slachtoffers of grote maatschappelijke impact. Maar dat zijn (gelukkig) uitzonderingen.
Vertrouwen op professionaliteit
Meryam Twisk, DCMR: ‘Bij de ‘Proeftuin OM’ kwamen we erachter dat er in milieutoezicht veel meer af te wegen valt. Zowel bij regulier toezicht als bij incidenten. We zochten naar criteria om die afweging goed te maken. Geen discussie over toepassing van bestuursrecht of strafrecht, maar vaststellen welke benadering het beste is om herhaling te voorkomen.
Dat kan ook door bedrijven aan te spreken op hun professionaliteit en eigen verantwoordelijkheid. En door erop toe te zien dat corrigerende maatregelen ook echt worden ingevoerd. Deze inzichten vormen de basis van de vernieuwde sanctiestrategie waar de DCMR nu samen met OM, Zeehavenpolitie en provincie Zuid-Holland aan werkt. Gemeenten en provincies in Nederland zijn geïnteresseerd. Deze aanpak sluiy aan bij de aanbevelingen in de landelijke cie Mans en De Ridder. Het is een ontwikkeling die past in de tijdgeest van een terugtredende overheid.
Context
| Rob de Rijck, OM: ‘In de nieuwe sanctiestrategie gaat het om de ernst van het feit, maar ook om het gedrag van het bedrijf met een milieuovertreding. Bestuurlijk of ook strafrechtelijk handhaven: daarover gaan we dan met elkaar in gesprek. Want het moet geen rigide systeem zijn, er moet ruimte blijven voor dat professionele ‘fingerspitzengefühl’. |
Criteria: milieugevolg en gedrag
In de vernieuwde sanctiestrategie spelen twee belangrijke criteria een rol. Dick Amesz, DCMR: ‘Ten eerste: welk milieugevolg is er bij deze overtreding? En het tweede criterium: hoe is het gedrag van dit bedrijf? Zijn ze gelijk in actie gekomen, hebben ze een noodscenario, is de omgeving juist geïnformeerd? Welke maatregelen nemen ze om herhaling te voorkomen. Daar kan een positief beeld uit komen. Het tegenovergestelde is een bedrijf dat calculerend gedrag vertoont en denkt dat misschien niemand iets merkt van de overtreding of het incident.’
Effectieve rolverdeling
De vernieuwde sanctiestrategie biedt toezichthouders ook de mogelijkheid zich verder te professionaliseren en prioriteiten te stellen. Voor de DCMR betekent dat meer focus op overtredingen met echte milieugevolgen en op bedrijven die de milieuwetgeving niet serieus genoeg nemen.
Meryam Twisk: ‘Als bedrijven meer verantwoordelijkheid krijgen én nemen in de aanpak van lichte overtredingen, kan bijvoorbeeld het OM zich meer richten op zware overtredingen en echte milieucriminaliteit. De Zeehavenpolitie heeft inmiddels veel kennis opgedaan over industriële veiligheid en neemt initiatief voor contacten met bedrijven. De provincie en milieudienst DCMR zorgen als verantwoordelijk bestuur feitelijk voor het oplossen van de overtreding. Afhankelijk van die overtreding is een bepaalde rol van de overheid nodig. Soms is dat een strafrechtelijke ‘tik’ maar in andere gevallen werkt die belemmerend als je juist een open uitwisseling van informatie wilt.’
Volgende stap: risicogestuurd toezicht
De BRZO-wetgeving (Besluit Risico Zware Ongevallen)kent al zo’n tien jaar het systeem- of risicogestuurd toezicht. Daarbij wordt het veiligheidsbeheersysteem getoetst volgens genormeerde VBS elementen uit Europse Wetgeving.
Dick Amesz: ‘Ook voor milieu willen we naar systeemtoezicht. Dat is goed mogelijk bij bedrijven die de risico’s met de juiste procedures goed in beeld hebben en zelf de aan ons gemelde overtreding oplossen. Dan kan de overheid als professioneel toezichthouder en als adviseur een toegevoegde waarde hebben. Dat zie ik als de oogst van onze ‘proeftuin’ en de gezamenlijke inspanningen voor een nieuwe sanctiestrategie.’