Op- en overslag fijn stof
Lage bronnen met een grote emissie hebben een grote invloed op de concentraties op leefniveau. Dit geldt naast snelwegen ook voor de op- en overslag van droge bulkgoederen. Grootschalige berekeningen op 1x1 km geven wel aan dat er knelpunten zijn. Voor een precieze bepaling van locatie, hoogte en van geografische omvang zijn lokale berekeningen op een fijner raster noodzakelijk.
In het zijn voor gedetailleerde berekeningen de bronlocaties en vormen precies vastgesteld. Gebruik van deze preciezere broneigenschappen in het grootschalige model levert ook een preciezere plaatsbepaling van de knelpunten op. Het PBL heeft daarom voor de grootschalige berekeningen voor 2008 gebruik gemaakt van deze nadere detaillering in broneigenschappen.
Voor het gedetailleerd bepalen van de locaties van knelpunten als gevolg van de emissie door op- en overslag van droge bulkgoederen en het toetsen conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) is een fijnere resolutie dan 1.000m vereist. Er is enige analogie met snelwegen, dit zijn ook lage bronnen met een grote emissie en zij hebben daardoor ook een grote invloed op de lokale concentraties. Voor snelwegen is een zogenaamde snelwegcorrectie beschikbaar. Hiermee kan men van de grootschalige kaarten de snelwegbijdrage aftrekken, om deze vervolgens op hogere resolutie te berekenen en er weer bij op te tellen. Een soortgelijk systeem zou bij de bepaling van de concentratie rond op- en overslag een uitkomst zijn.
Voor de gedetailleerde berekening van de bijdrage van deze bronnen moeten mogelijk nog nadere afspraken gemaakt worden. Het in de RBL voorgeschreven NNM kent een beperking in de invoer betreffende de hoogte van de oppervlaktebronnen en een alternatief model (OPS) dat deze beperking niet kent is formeel (nog) niet in de RBL goedgekeurd.
Hoe relevant deze laatste verfijning is, is op dit moment nog niet helemaal duidelijk. Andere verfijningen zijn mogelijk van meer invloed. De emissiesterkte is in de praktijk sterk afhankelijk van de windsnelheid: bij hoge windsnelheden verwaait er nu eenmaal meer stof dan bij lage windsnelheden. Perioden met hoge windsnelheden zorgen voor een goede verspreiding, waardoor de concentraties laag liggen. Dit gecombineerde effect, dat hoge emissies juist plaatsvinden gedurende gunstige verspreidingsomstandigheden, en omgekeerd, is in het verder buiten beschouwing gelaten.