Ga direct naar: Hoofdmenu

Ga direct naar: Submenu

Ga direct naar: Inhoud

Ga direct naar: Zoeken

Ga direct naar: Gerelateerde items

Ga direct naar: Meta navigatie

Verwaaiend stof

Verwaaiend stof is een bekend probleem in haven- en industriegebieden waar droge bulkgoederen zoals kolen, ertsen, granen, e.d. worden op- en/of overgeslagen. De wind speelt een belangrijke rol bij de uitstoot van stof. In het algemeen geldt dat hoe harder het waait hoe meer stof er verwaait (hoe groter de stofemissie). Dat wil echter niet zeggen dat de stofconcentraties dan groter zijn: harde wind zorgt ook voor een goede verdunning en verspreiding. Bij verwaaiend stof spelen twee aspecten een rol: de concentratie in de lucht (meestal de concentratie fijn stof of PM10) en wat er in de omgeving neerkomt, bijv. op vensterbanken, tuinmeubels, enz., de stofdepositie van het grovere stof. De maximale concentratie fijn stof in de lucht is wettelijke geregeld. De depositie is dat niet. Depositie heeft te maken met hinder. De vergunningen van een bedrijf zijn, als het goed is, zo geformuleerd dat de normen voor fijn stof gerespecteerd worden en dat hinder (zoveel mogelijk) voorkomen wordt.

Er zijn veel technische mogelijkheden om stofvorming te verminderen. De belangrijkste is zoveel mogelijk met gesloten systemen te werken. Meestal is dat niet mogelijk voor de gehele behandelingsketen. Ook de opslag, zeker als het om zeer grote hoeveelheden gaat, gebeurt vaak in de open lucht. Stofbestrijding komt er dan op neer de invloed van de wind zoveel mogelijk te beperken. Sommige handelingen mogen niet plaatsvinden bij hoge windsnelheden en typische voorschriften zijn het gebruik van windschermen, storttrechters, stofafzuiging op kritische punten, en het nathouden van het product. Dit laatste natuurlijk alleen bij goederen die nat mogen worden. Tegenwoordig worden ook vaak korstvormers gebruikt: een laagje (bijv. papierpulp) dat de kolen- of ertsbergen inpakt en minder stuifgevoelig maakt. De korstvormers zijn een belangrijke verbetering ten opzichte van het traditionele nathouden.  
Bij al deze voorschriften speelt de zorgvuldigheid waarmee de werknemers werken een grote rol. Laat men de grijper werkelijk helemaal achter het windscherm zakken? Wordt die pas geopend als de grijper vlak boven de grond is en de valhoogte daarmee minimaal, wordt de maximum snelheid van de voertuigen op het terrein (opwerveling van gemorst stof is een belangrijke factor) goed gehandhaafd, enz? Bedrijven besteden veel aandacht aan het bewustmaken en -houden van hun eigen personeel en dat van onderaannemers die vaak op het terrein aan het werk zijn.
Om de operators van op- en overslagbedrijven inzicht te geven in hun actuele stofemissie, net zoals andere bedrijven - waar de uitstoot door een schoorsteen voorzien van sensoren gaat - dat ook hebben, is in Rijnmond geëxperimenteerd met mini-stofmeetnetten rondom de bedrijven. De bedrijven zien zo per kwartier wat hun uitstoot is en kunnen beter in de gaten houden of alles volgens plan (en vergunning!) verloopt. Deze experimenten draaien inmiddels zo’n vijf jaar naar tevredenheid van de bedrijven. Inmiddels is er ook belangstelling van elders voor de gekozen aanpak. In het Amsterdamse havengebied wordt het ook toegepast en vanuit Antwerpen is al een aantal malen, bij bezoeken over en weer, belangstelling getoond. Meer engelstalige informatie kunt u lezen in: 


De modellering van verwaaiend stof kent ook zo haar eigen problemen. Op- en overslagbedrijven zijn grote lage bronnen die in de directe omgeving een aanzienlijke bijdrage aan de stofconcentratie leveren, maar waarvan de invloed ook snel afneemt. In 2008 is voor een aantal op- en overslag¬bedrijven in Rijnmond onderzocht hoe die in de nationale achtergrondkaarten (GCN) gemodelleerd werden. Daaruit zijn aanbeveling gekomen die deels door het PBL zijn overgenomen. De modellering van de op- en overslag was in de GCN gepubliceerd in 2009 anders dan in de jaren daarvoor, met zichtbare verschillen als gevolg. Ook heeft DCMR aan KEMA gevraagd het NNM aan te passen aan oppervlaktebronnen die een bepaalde hoogte hebben. De standaardhoogte in het NNM van 1,5 m voldeed niet voor kolen- en ertsbergen die soms 10 - 20 m hoog zijn. Meer informatie kunt u lezen in:

Contactpersoon: Sef v/d Elshout 010 - 246 80 00

 
top van de pagina