
Speciale aanpak voor geur
In het landelijk geurbeleid en in het stankbeleid van de provincie Zuid-Holland is nadrukkelijk uitgesproken dat een speciale aanpak nodig is voor complexe industriegebieden, zoals het Rijnmondgebied. De geuraanpak in het zogenaamde kerngebied Rijnmond is een nadere invulling van het provinciale stankbeleid.
De belangrijkste reden om voor dit gebied een aanvullende geuraanpak te formuleren, is dat in de rest van de provincie Zuid-Holland bij de gebruikte aanpak (conform de Nederlandse Emissierichtlijn, de NeR) geen rekening gehouden wordt met cumulatie (opstapeling) van geuren, die afkomstig zijn van bedrijven in de directe omgeving.
Vaststelling geurbeleid
Namens provincie en gemeenten, geeft de DCMR Milieudienst Rijnmond bij individuele bedrijven al jaren invulling aan de noodzaak om met de cumulatie van geur rekening te houden.
Op 5 juli 2005 is de geuraanpak Kerngebied Rijnmond bestuurlijk vastgesteld voor provinciale bedrijven. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben dit beleid ook overgenomen. De andere gemeenten in het kerngebied van de Rijnmond wordt gevraagd om deze aanpak ook als gemeentelijke geurbeleid vast te stellen. Op deze manier wordt ongelijkheid in behandeling van bedrijven onder provinciaal of gemeentelijke bevoegd gezag voorkomen.
Hinder
De geuraanpak is gebaseerd op het feit dat in het kerngebied Rijnmond sprake is van hinder als gevolg van cumulatie van geur afkomstig van een groot aantal bronnen. Daarom is het van belang dat niet elk bedrijf de “geurruimte” gaat opvullen door precies uit te rekenen bij welke uitworp (van het individuele bedrijf) bij de dichtbijgelegen woonbebouwing nog net geen sprake is van geurhinder.
Kerngebied
De geuraanpak wordt alleen toegepast op het zwaar(st) belaste kerngebied Rijnmond. Dat is het gebied dat ruwweg begrensd wordt door de A20 in het noorden, de A15/Groene Kruisweg in het zuiden en door de Willemsspoortunnel in het oosten. Voor bedrijven buiten het kerngebied volstaat de algemene aanpak die ook in de rest van de provincie Zuid-Holland wordt gevolgd.
Uitgangspunten
Uitgangspunt van het landelijk beleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Dit wordt voor het kerngebied nader vertaald in “het voorkomen van (nieuwe) hinder ten gevolge van cumulatie van meerdere geurbronnen”. In het kerngebied Rijnmond is sowieso sprake van hinder omdat veel bronnen dicht bij elkaar liggen en de geuren van die bronnen zich vermengen. Deze cumulatie van geuren veroorzaken samen overlast. Om een extra bijdrage aan die bestaande hinder te voorkomen, is het daarom nodig om te kijken of een bedrijf potentieel geur veroorzaakt en daarmee de al aanwezige hinder zal beïnvloeden. Het moment waarop gekeken wordt of maatregelen genomen moeten worden, is dus niet afhankelijk van de individueel veroorzaakte geurhinder door een bedrijf. Deze is afhankelijk van het feit of de geurhinder al aanwezig is en de potentie dat een bedrijf heeft om hieraan (verder) bij te dragen.
Best beschikbare technieken
Uitgangspunt bij vergunningverlening in het kerngebied van de Rijnmond is het toepassen van beste beschikbare technieken (BBT), conform de IPPC-richtlijn (Integrated Pollution Prevention and Control). Het toepassen van de beste beschikbare technieken moet leiden tot het gebruik van die techniek die een zodanige reductie in de uitworp tot gevolg heeft, dat bedrijven hun eventuele aanwezige bijdragen van geur aan de reeds aanwezige hoge geurbelasting in het Rijnmondgebied minimaliseren. Hierbij wordt het streven gehanteerd dat buiten de terreingrens geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar mag zijn (maatregelniveau I).
In de afwegingsprocedure wordt bekeken of een bedrijf kan voldoen aan maatregelniveau I of dat een ander, lager maatregelniveau moet worden vastgesteld. Toepassing van BBT, waarbij altijd de lokale omstandigheden in acht moeten worden genomen, leidt in het Rijnmondgebied, zolang de geurhinder zich op een (te) hoog niveau bevindt, tot verdergaande maatregelen dan elders. Het is de verwachting dat deze aanpak zal leiden tot een verdere vermindering van de geurbelasting in het Rijnmondgebied.
Werkwijze
In de geuraanpak is een afwegingsprocedure opgenomen om te komen tot een voor de (individuele) situatie geschikt maatregelniveau. In de vergunning wordt in eerste instantie het maatregelenpakket voorgeschreven dat naar de verwachting van de vergunningverlener leidt tot het acceptabel geurhinderniveau ter plaatse van de zogenoemde geurgevoelige objecten, meestal woonbebouwing.
De voorschriften zijn gebaseerd op de aanvraag en mogelijk ook op een bij de aanvraag gevoegd geurrapport. Voor installaties worden (technische) middelen voorgeschreven. Algemene gedragsvoorschriften worden geformuleerd in verband met de werkwijze binnen de inrichting en de handelingen met stinkende stoffen. Bovendien wordt in de vergunning omschreven hoe de waarneembaarheid dan wel hinder van geur moet worden vastgesteld. Dit wordt in de toelichting opgenomen van het betreffende voorschrift.
In de inleidende overwegingen bij de vergunning (de considerans) is het haalbaar geachte maatregelniveau vastgesteld en dit wordt ook in een (vangnet)voorschrift vastgelegd. Eventueel kan nog een onderzoeksverplichting worden opgenomen, dat het bedrijf verplicht te onderzoeken maatregelniveau.
Informatie: Bianca Milan, 010-246 80 00
Gerelateerde documenten:
