DCMR Milieudienst RijnmondMenuNaar de tekstMenu sluiten
Milieumelding? Bel 0888 333 555

Aanvullingsbesluit bodem, gezamenlijk signaal richting Ministerie?

Nieuwsbericht Provincie Zuid-Holland

In februari heeft de VNG zijn zorgen geuit over de ontwerptekst van het Aanvullingsbesluit Bodem in de Omgevingswet, waarin samen met de Aanvullingswet Bodem de bodemregelgeving onder de Omgevingswet zal worden geregeld. In een VNG bijeenkomst in januari hadden verschillende gemeenten en omgevingsdiensten, waaronder de DCMR, een aantal knelpunten in de ontwerptekst van het Aanvullingsbesluit naar boven gehaald, waarover onderstaand meer.

De VNG heeft de reacties gebundeld in een brief aan mevrouw E.B. Alwayn, directeur Water en Bodem bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vanuit de DCMR wordt de discussie over het Aanvullingsbesluit Bodem op de voet gevolgd. Zodra het ministerie de reacties van de VNG en andere koepelorganisaties (provincies, waterschappen e.a.) heeft verwerkt, naar verwachting in juni/juli, kan een ontwerpbesluit worden verwacht en volgt een consultatieronde. In de consultatieronde kunnen alle partijen reageren. De DCMR wil dan een reactie voorbereiden en aan u voorleggen, zodat we waar mogelijk en waar nodig een gezamenlijk signaal richting ministerie kunnen afgeven.
Volledigheidshalve: de VNG heeft in een eerdere brief richting gemeenten al gewezen op het toenemende belang van bodem en ondergrond voor vraagstukken op het gebied van klimaatverandering en energietransitie. Aanvullingswet en Aanvullingsbesluit, sectorale aanvullingen op het gebied van bodemverontreiniging, bodemsanering en grondverzet, bieden daarvoor geen aanvullend instrumentarium.


Onze belangrijkste zorgen over de ontwerptekst van het Aanvullingsbesluit, die terugkeren in de VNG brief, zijn als volgt:

  • Het aanvullingsbesluit biedt op dit moment geen gelijkwaardig beschermingsniveau. De zorgplicht lijkt te worden beperkt tot bepaalde milieubelastende activiteiten, waarbij met ‘grove nalatigheid’ aanzienlijke schade wordt aangericht. Daarmee worden generieke principes als zorgplicht en de-vervuiler-betaalt uitgehold. Het is onduidelijk of ecologische effecten van bodemverontreiniging nog wel ergens worden meegenomen.
  • De bescherming van het grondwater in bebouwd gebied is onvoldoende belegd. Provincies en waterschappen worden bevoegd gezag voor het grondwater. Voor de primaire beleidsdoelen van provincies en waterschappen – in dit geval drinkwater en natuur – is het grondwater in de bebouwde kom en op bedrijfsterreinen minder relevant. Het (juridisch en financieel) instrumentarium voor stedelijke ambities in relatie tot andere maatschappelijke opgaven (bouw, klimaat, energietransitie) is beperkt. De gevolgen voor gebiedsgericht beheer van grondwaterverontreinigingen zijn nog onduidelijk.
  • De begrenzing bovengrond/ondergrond is niet scherp. Bij verontreinigingsbronnen in de grond met pluimen in het grondwater lijkt het erop dat je met meerdere bevoegde gezagen te maken kunt hebben.
  • Het normenkader is nog onduidelijk.  Er is nog geen zicht op het normenkader, er is behoefte aan een uniforme bandbreedte (duidelijkheid) met voldoende ruimte voor lokale afwegingen. Binnen die bandbreedte kan een gemeente straks eigen normen stellen voor grond, voor grondwater heeft een gemeente die bevoegdheid mogelijk niet.
  • Het overgangsrecht is nog onduidelijk. Welke locaties vallen straks onder het overgangsrecht, op basis van de oude Wet bodembescherming? Tot hoe lang duurt dat overgangsrecht? Welke mogelijkheden heb je straks - als gemeente of juist als bedrijf - om te kiezen voor het regime dat jou het beste uitkomt? Wat heeft dat voor consequenties?
  • De financiële gevolgen zijn onduidelijk. De provincie zal de bodemdossiers grotendeels overdragen aan de gemeenten. Voor een deel betreft dit nieuwe taken, de organisatorische en financiele consequenties zijn nog niet duidelijk. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het dossier diffuse bodemverontreiniging met lood.
  • De bouwregelgeving verandert fors. Gemeenten moeten zelf veel gaan regelen op het gebied van bodemzones, terugsaneerwaarden, nazorg, ambities, handhaving en toevalsvondsten. Het instrumentarium daarvoor is nog onduidelijk. Daarom moet duidelijk zijn wat gemeenten straks allemaal zelf moeten en kunnen regelen in hun omgevingsplan en welke hulpmiddelen daarvoor ter beschikking worden gesteld (standaardteksten, financieel, personeel)?
  • Is het Digitaal Stelsel Omgevingswet op tijd klaar om de werkzaamheden uit te kunnen voeren? Het Digitaal Stelsel regelt de informatievoorziening waarmee het mogelijk moet worden dwars door de verschillende omgevingsthema’s heen een integraal beeld te vormen – met op termijn de zogenaamde ‘satéprikker’ – om tot besluitvorming te kunnen komen. Daar is nog een grote weg in te gaan, krijgen de gemeenten tijdig de beschikking over het benodigde instrumentarium?